Laatste Berichten

Dissociëren

Steenwijk, Nederland

Ik las laatst een stukje over dissociëren en voelde mij geïnspireerd om er op mijn eigen manier iets over te schrijven. Als je mijn ‘over stukje’ hebt gelezen, weet je dat ik een complexe posttraumatische stress stoornis (c-ptss) heb. Als gevolg daarvan heb ik af en toe last van dissociaties. Wat dat voor mij persoonlijk betekent zal ik hieronder proberen uit te leggen.

 

Uit mijn lijf

Een dissociatie ontstaat bij mij eigenlijk altijd door een bepaalde trigger. Sommige triggers zijn duidelijk; bijvoorbeeld het zien van beelden die refereren aan mijn trauma. Andere triggers zijn pas achteraf duidelijk. Vaak komt het erop neer dat ik over mijn eigen grenzen ga. Ik kan dan pas achteraf zien dat ik veel eerder ‘nee’ had moeten zeggen. Hoe vaak ik dissocieer wisselt; er zijn dagen dat ik nergens last van heb, maar ik heb ook periodes waarin ik een paar dagen achter elkaar dissocieer.

Dissociëren kan ik het best omschrijven als ‘uit je lichaam gaan’. Als ik dissocieer is het alsof ik naar mezelf kijk, maar niet volledig in mijn lichaam ben. Ik kan kou ervaren, maar krijg er geen rillingen van. Ik kan mezelf knijpen, maar het pijnsignaal komt niet door. Het is alsof je een verdoving hebt gehad bij de tandarts; je kan de aanraking voelen, maar het doet geen pijn. Vaak ‘voel’ ik ook dat mijn hoofd veel pijn doet. Het is alsof ik alleen nog in contact sta met mijn ziel via mijn hoofd. Alsof daar een lijntje is gespannen wat mij nog verbind met mijn lichaam.

Op het moment dat ik dissocieer staat mijn lichaam op de automatische piloot. Helder nadenken, fatsoenlijke zinnen vormen, het doen van alledaagse huishoudelijke dingen lukt niet tot nauwelijks. Het kost extreem veel energie om ‘gewoon’ te functioneren.

Als ik dissocieer probeer ik om afstand te nemen. Thuis is dat makkelijk. Ik ga meestal op de bank of op bed liggen. Zo komen er niet veel prikkels binnen en hoef ik ook niet te na te denken over hoe ik bijvoorbeeld mezelf moet laten lopen.

Als ik weg ben van huis is dat wat lastiger… en dat is een understatement. Ben ik dichtbij huis, dan loop/fiets ik vaak terug als ik dissocieer. Ik kan je vertellen, dat is dood-en-doodeng als je je lichaam niet voelt. Ik moet mezelf echt toespreken in wat ik doe; rechtervoet vooruit, linkervoet vooruit, stoppen, naar rechts kijken, naar links kijken, horen of er iets aankomt. Wat ik ook wel eens heb gedaan is een bankje of iets opzoeken om daar op te zitten. Het gaat er voor mij in eerste instantie om dat ik in een omgeving kom waar ik mij veilig voel.

Mocht het gebeuren dat ik echt niet weg kan, dan probeer ik het gewoon maar uit te zitten. Soms doe ik mijn ogen dicht of focus ik mijn blik op een bepaald punt. Dat is lastig in gezelschap. Het voelt alsof ik een pop bestuur die geen fatsoenlijke zinnen kan formuleren. Ik wil als het gebeurt ook niet alle aandacht naar mezelf toe trekken of onbeleefd zijn. Toch lijkt dat vaak de enige uitkomst. Het enige wat ik wellicht kan zeggen is dat ik dissocieer en daarom afstand moet nemen. Wat andere daarvan vinden laat ik bij hen.

Blijf ik in de situatie en lukt het mij ook niet om mij uit te drukken, dan gebeurt het vaak genoeg dat men ook wel merkt dat ik niet oké ben, maar ja… dan ben ik maar even ‘raar’. Zo heb ik veel van mijn tijd op school besteed, toen zat ik bijna dagelijks in zo’n dissociatieve toestand. Toen wist ik ook niet wat het was en werd het als ‘verlegen’ bestempeld.

                                 

Terugkomen en nasleep

Om terug in mijn lijf te komen is het voor mij noodzakelijk dat ik al mijn opgekropte emoties voel en eruit laat. Daarvoor is het voor mij belangrijk om op een veilige, vertrouwde plek te zijn. Vervolgens huil ik, schreeuw ik en/of sla ik tegen een kussen (ik houd het wel altijd bij mijzelf en reageer het nooit af op anderen en maak geen spullen kapot).

Als het in huis gebeurt en ik ben samen met mijn vriend, dan blijft hij meestal wel in de buurt. Bij hem lukt het mij meestal wel om te zeggen wat wel en niet kan. Zo voelt het soms te onveilig voor mij (mijn lichaam) om hem dichtbij te laten. Dat vind ik enorm lastig, omdat ik mij kan voorstellen hoe machteloos het kan voelen om dit van iemand te observeren. Het helpt dat ik het meerdere keren met hem hierover heb gehad, waardoor hij weet wat wel helpt.

Meestal kan ik mij binnen een kwartier tot halfuur wel weer uit die staat halen. Als mijn emoties geuit zijn, zak ik altijd weer terug in mijn lijf. Dat voelt heel raar, alsof ik even ergens anders ben geweest met mijn bewustzijn.

Dissociëren kost enorm veel energie. Meestal moet ik er nog een hele dag van bijkomen. Ik heb dan vooral weinig energie om dingen te doen en kan mij soms nog een beetje verdoofd voelen hier en daar.

 

Wat ik eraan heb proberen te doen

Ik heb verschillende soorten therapie en methoden geprobeerd. Sommigen, zoals EMDR maakten het bij mij alleen maar erger, andere hielpen vooral om mijn trauma een plekje te geven. Vooral schrijven heeft mij heel erg geholpen met het verwerken. Hypnotherapie en meditatie hebben mij weer geholpen mijn lichaam beter te voelen. Maar dé oplossing om niet meer te dissociëren heb ik nog niet gevonden. 

Ik heb begrepen dat bij c-ptss en dissociaties, de trigger niet eerst via het ‘gedachtendeel’ van de hersenen naar je lichaam gaat – de trigger komt direct aan in je lichaam. Daarom ervaar ik misschien, samen met velen anderen, dat het onmogelijk is om op het moment van dissociëren vanuit gedachten er iets aan te doen. Je kan niet met je gedachten er overheen. Je kan je er niet uit denken, je kan je er wel uit voelen.

 

Lichtpuntjes

Dissociëren is een vriend en een vijand. Het heeft mij gered in de meest heftige situaties, waarin de enige veilige mogelijkheid was om ‘uit te treden’. Maar het heeft ook veel fijne dingen tegen gehouden.

Toch, in tegenstelling tot vroeger, gaat het nu stukken beter. Vroeger verkeerde ik soms weken achter elkaar in een dissociatieve toestand. Dat heb ik nu niet meer. Ik ben nu al een paar jaar het grootste deel van de tijd in een toestand waarin ik bij mezelf ben. Ik heb het idee dat het steeds beter gaat omdat ik beter mijn grenzen weet aan te geven.

Vroeger wou ik geen aansteller zijn, of zwak of egoïstisch. Ik wou niet de pretbederver zijn of de ‘slappeling’ die iets ‘niet durft’. Ik wou ook niet verlegen overkomen. Ik wou niet dat mensen labels op mij plakten en ging daarom keer op keer over mijn grenzen. Nu maakt het mij niet meer zoveel uit wat mensen van mij denken. Ik weet waar ik vandaan kom en ik ben trots dat ik tot hier ben gekomen en dat ik er nog ben. Ik besef dat ik dingen heb ervaren die voor de velen ondenkbaar zijn en ik kies er bewust voor om dit niet met iedereen te delen.

Dissociëren is misschien niet leuk op het moment dat het gebeurt, maar nu zie ik dat het mij vooral een spiegel voorhoudt en laat zien hoe krachtig ik eigenlijk ben en dat ik nog meer in die kracht mag gaan staan.

Reacties

Form for Contact Page (Do not remove)